Ochtend op de tram.

blur-bokeh-bright-751374

Normaal fiets ik langs het station, door het stadspark zo naar mijn werk in hartje stad. Nu voelt de lucht veel te koud aan voor mijn neus. Als ik inadem voelt het alsof ze met scherp, koud ijs langs mijn luchtpijp krassen. Mijn luchtweginfectie is duidelijk nog niet helemaal genezen, ondanks goede zorgen. Gelukkig heb ik de tram als alternatief, die brengt me zonder inspanning waar ik zijn moet.

Echt fan ben ik niet van de tram, en dan vooral niet van de sfeer die er heerst s’ochtends vroeg. De helft is nog wat aan het suffen en de andere helft verdwijnt in z’n smartphone. Er hangt vaak een laagje van desinteresse, zo’n voile van niet echt aanwezig zijn dat over de reizigers hangt. Je zit naast iemand, misschien raak je elkaar zelfs fysiek aan, maar laten we daar niet te gezellig over doen. Ik suf meestal wat mee, in de hoop dat ik snel weer in de buitenlucht zal staan.

Drie stops verder staat de hele tramhalte volgepakt met kinderen in gele fluo hesjes. Ik denk nog ‘die wachten op de tram die voor hen gereserveerd is, want die kunnen hier toch onmogelijk bij op?’ als ze een voor een binnen stappen. Een kerel die vlak bij de deur staat, zie ik ongelukkig nee knikken: ‘Oh nee, al dat klein grut, daar gaat mijn ochtendrust!’ lijkt hij te denken. Intussen wriemelen de kinderlijfjes overal waar er plaats is. Ze vullen alle vrije plekken in de tram op, van zitplaats tot gangpad. En wonder boven wonder: ze doen dat in volledige stilte. Het lijkt wel een choreografie die ze goed hebben ingestudeerd. Of het kan ook zijn dat ze een strenge preek van de juf hebben gekregen voor ze op stap gingen. Over stilte. En respect voor de andere reizigers.

Daar zitten we, op naar de volgende halte. De man tegenover mij ontdekt nu pas dat de tram waar hij op zit, is overgenomen door kinderen – zijn smartphone had hem te veel in beslag genomen om dit wonderbaarlijk event op te merken. Ik lach naar hem en hij lacht terug. Je voelt dat de sfeer begint te veranderen. Als de tram plots moet remmen, botsen de meisjes allemaal tegen elkaar en stijgt er onderdrukt gegiechel op. De mevrouw tegenover mij heeft er nog net eentje bij haar rugzak en die aan de andere kant van het gangpad grijpt in een reflex de arm van een ander meisje. We zijn met elkaar bezig. We zorgen er voor dat ze niet vallen. De meisjes kijken vrolijk hun ogen uit, hun gegiechel wordt luider. Ik ben benieuwd waar hun reis hen heen voert.

Nog een uitdaging voor de ochtendreiziger: uitstappen als je door een kinderzee naar de deur moet waden. De kinderen maken zich nog kleiner dan ze al zijn om de passagiers door te laten. Ze wringen zichzelf tussen stoelen en andere passagiers en vinden het duidelijk dolle pret. De geluidssterkte is intussen sterk toegenomen. Ze beginnen druk onderling te babbelen.
Tot ze plots een luid ‘Noa, zwijg!’ horen. Ze schrikken zich een bult. De oren van de juf horen duidelijk alles en de juf is plots ook dichterbij dan je denkt! Die stond net nog tien meter verder maar torent nu torent boven het groepje uit, dat weer muisstil wordt.

‘Noa, laat die meneer door!’ zegt de juf wat later. Noa is een blond meisje met twee scheve vlechtjes en een bril met dikkere glazen. De bandjes van haar rugzak glijden voortdurend van haar schouders, haar fluo hesje is al serieus zongebleekt en ze is een beetje groter dan de andere meisjes. Als ik de juf dan nog eens ‘Noa, pas op’ hoor zeggen terwijl ik daarvoor geen enkele aanleiding zie , vermoed ik dat Noa het meisje is dat het altijd gedaan heeft en gaat mijn hart naar haar uit.

Wat een verandering! Een tram waarin plots een dertigtal kleine kinderen zijn verschenen, kan zijn waas van onverschilligheid niet meer volhouden. In de plaats komt een vlaag van levendigheid. Het wroet en het wriemelt van plezier en wakkerheid. Alsof er luchtbelletjes van vreugde uit de kinderen opstijgen die moeiteloos het laagje van desinteresse veroveren en de harten van de reizigers raken.

Ik vind het jammer dat mijn halte er al aan komt want ik wilde wel tot het einde met deze groep mee reizen. Op tijd sta ik op om mijn weg naar de deur te banen. Terwijl ik dacht dat het een meisjesklas was, zie ik iets voorbij de deur een aandoenlijk tafereel. Twee jongetjes zitten samen op één stoel en zijn in gesprek verwikkeld met de hele oude man die naast hen zit. Ik kan net niet horen waar ze het over hebben, maar de gretigheid in de blik van het ene jongetje vertelt me dat hij er van geniet en nog veel meer wil horen. De man praat heel rustig, alsof hij in zijn luie zetel zit. Ik kan uit zijn gezicht niet opmaken of hij het fijn vindt. Uit puur enthousiasme begint het jongetje plots luidop te tellen: “Eenendertig, tweeëndertig, vijfendertig!”
Tot de juf ook dat jongetje tot bedaren aanmaant. Ik denk dat de juf er vooral stress aan over houdt, maar heb wel bewondering voor haar. Met zo’n bende de tram nemen en zorgen dat het allemaal goed verloopt, chapeau. Die compleet verschillende generaties die een kort moment delen op deze ochtendtram. Wie weet wat betekent dit voor deze oude man? Wie weet wat onthouden de jongetjes hiervan?

Ik stap af, geniet na van de levenskracht van zo’n groepje kinderen en voel vrolijkheid-belletjes die zich in mijn buik genesteld hebben.
Het belooft een mooie eerste februari-dag te worden.

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s